15 dec

Utopia en waarom ik Vrijmetselaar ben

Bouwstuk 28 september 2015

 

Het is mij een voordeel om hier vanavond voor jullie mijn bouwstuk Utopia en waarom ik Vrijmetselaar ben op te mogen leveren. Ik heb voor deze titel gekozen omdat het goed zou kunnen dat de kiem voor mijn Vrijmetselaar-zijn gelegd is toen ik voor het eerst dit gruwelijk mooie boek van Thomas More las. Het boek Utopia en de persoon Thomas More hebben destijds namelijk zoveel indruk op mij gemaakt dat het mij passend leekmijn leerling-bouwstuk hieraan te wijden. In het tweede deel van het bouwstuk zal ik uiteenzetten waarom ik Vrijmetselaar ben geworden en ingaan op de ervaringen die ik in mijn eerste jaar in de Loge heb mogen opdoen. Maar nu eerst over Utopia!

 

Thomas More

Om Utopia goed te kunnen begrijpen is het nodig om eerst kort te schetsen wie Thomas More was. More werd geboren in 1477 of 1478 in Londen als zoon van een advocaat. Hij was derhalve afkomstig uit de gegoede burgerij en kreeg een bijpassende opvoeding. Hij ging naar de Latijnse school en trad daarna als page in dienst bij aartsbisschop John Morton. Vervolgens ging More, zoals het ook in die tijd al een jonge Engelsman van stand betaamde, in Oxford studeren. Nadien trad hij in de voetsporen van zijn vader en werd hij advocaat. In deze periode kwam ook zijn belangstelling voor filosofie aan de oppervlakte, daar hij lezingen over de Stad Gods van Augustinus gaf. Hij woonde op dat moment als leek in een Kartuizerklooster. Het is niet bekend of hij heeft overwogen om in te treden. Het is in elk geval niet gebeurd, want hij maakte kennis met zijn toekomstige vrouw, Jane Colt. Dat was bepaald geen liefde op het eerste gezicht, want eigenlijk wilde hij met haar jongere zus trouwen, maar hij vond dat hij het niet kon maken om een oudere zus toe te laten kijken bij de bruiloft van haar kleine zusje en trouwde daarom Jane. Desondanks kreeg het echtpaar samen drie dochters en een zoon. Onderwijl werkte More aan zijn politieke loopbaan. Hij werd lid van het parlement, undersheriff van Londen en ten tijde van koning Hendrik VIII voorzitter van het parlement en later kanselier, zeg maar premier. More heeft steeds gesteld dat hij deze functies niet ambieerde en liever meer tijd bij zijn gezin doorbracht. Of dat echt zo was? Eerlijk gezegd denk ik dat het vooral een pose was, net zoals kandidaten voor het Amerikaanse presidentschap zolang mogelijk moeten volhouden dat ze het absoluut niet ambiëren en het uiteindelijk alleen doen vanwege het landsbelang. Maar natuurlijk spelen persoonlijke motieven ook mee en dat zal bij More niet anders zijn geweest. Hij zal een politieke loopbaan dan ook zeker hebben geambieerd. Ik denk dat u allen wel weet hoe die carrière en zijn leven eindigden: hij werd onthoofd omdat hij de wens van Hendrik VIII om te scheiden van Catharina van Aragon en te hertrouwen met zijn maîtresse Anna Boleyn en de daaruit volgende stichting van de Church of England niet kon verenigen met zijn katholieke geloof. Dit roept het beeld op van een strenge, orthodoxe katholiek en het gegeven dat hij zichzelf geselde om boete te doen bevestigt dit beeld. Gelijktijdig brengt hij in Utopia echter enkele voor die tijd uiterst liberale ideeën naar voren. Sterker nog: zelfs voor onze tijd zitten er behoorlijk progressieve gedachten in. Misschien is dat uiteindelijk wel geweest wat mij zo geïnspireerd heeft in Utopia: Thomas More was een man met vaste overtuigingen, overtuigingen die vaak ver van de mijne vandaan liggen, maar gelijktijdig kon hij daar toch langs kijken en zelfstandig vooruitstrevende ideeën ontwikkelen.

 

Utopia

In het boek Utopia, waarin More zijn ideale samenleving schetst, komt dat tweeledige beeld van More duidelijk terug. Het boek heeft de vorm van een gesprek met de fictieve figuur Rafael Babellario. De reden dat hij voor deze indirecte manier koos is dat hij niet rechtstreeks maatschappijkritiek kon leveren, want dat is wat Utopia is, daar dat hem zijn loopbaan en mogelijk zijn leven zou hebben gekost. Babellario beschrijft in zijn gesprek met More zijn reis naar het land Utopia. In het eerste deel van zijn verhaal stelt More op indirecte wijze de oorlogszucht van Hendrik VIII en het parasietengedrag van de adel aan de kaak. Die maatschappijkritiek is uit historisch perspectief erg interessant, maar voor dit bouwstuk minder relevant en gelet op de tijd zal ik mij daarom richten op deel twee: de beschrijving van het land Utopia en zijn zeden en gewoonten.

 

Het land Utopia

Utopia is een eiland, dat vernoemd is naar de Vader des Vaderlands Utopus. Het eiland is opgezet uit 54 planmatig opgezette, nagenoeg identieke steden. Ook de taal, gebruiken, instellingen, inwonertallen en wetgeving zijn vrijwel gelijk. Alle steden liggen op exact dezelfde afstand van elkaar en dat geldt ook voor de boerderijen op het platteland. Iedere stadswijk en boerenhoeve wordt bestuurd door een opziener, die uit vier door het volk gekozen burgers een staatshoofd kiezen. Het staatshoofd dat voor het leven wordt benoemd, tenzij hij verdacht wordt van tirannieke aspiraties, wordt ondersteund door een raad van dorsten, die het beleid bepaalt en uitspraken in conflicten doet. Het landsbestuur wordt gevormd door een soort parlement, bestaande uit drie oude wijze burgers uit iedere stad. De opzieners van de stadswijken en de boerderijen hebben naast het besturen ook tot taak om te voorkomen dat mensen gaan lanterfanten. Zelfs in hun vrije tijd mogen burgers maar in zeer beperkte mate doen wat ze willen. Van die vrije tijd hebben ze heel wat overigens, de werkdagen zijn kort doordat iedereen meewerkt en iedereen alleen maar, wat More “nuttig werk” noemt heeft. Het voorbeeld dat hij daarbij geeft is dat iedereen dezelfde kleding draagt en dat al die kleding dezelfde kleur heeft en er wordt dus geen capaciteit verspild aan de productie van meer luxe dan strikt noodzakelijk is.

 

Geluk in Utopia

Ook het nastreven van geluk en genot gebeurt op een rationele wijze, of beter gezegd: het bereiken van wat de staat onder genot en geluk verstaat. In discussies over geluk worden religieuze uitgangspunten gecombineerd met rationele argumenten ontleend aan de filosofie. De Utopianen geloven namelijk dat de menselijke rede ontoereikend is om het werkelijke geluk te bereiken. Hier zie je sterk de worsteling die More zelf doormaakte. Het belangrijkste uitgangspunt van het geloof van de Utopianen is dat de ziel niet gelijktijdig sterft met het lichaam en door de welwillendheid van God geboren is om gelukkig te zijn. Indien mensen zich fatsoenlijk en sociaal gedragen zal de ziel voortleven. Deze religieuze uitgangspunten worden niet aan de burgers opgelegd, burgers moeten er door rede toe worden gebracht om in deze uitgangspunten te geloven. Het is burgers daarom in beginsel toegestaan om op zoek te gaan naar hun eigen geluk en genot. Ze gaan er hierbij echter van uit dat enkel “moreel aanvaardbaar genot” tot geluk leidt. Goede mensen streven dit van nature na en richten er ook automatisch hun leven op in. Dit betekent dat mensen volgens de rede moeten leven, daar het de rede is die liefde en eerbied voor God aanwakkert. Dit omdat we het aan God te danken zouden hebben dat we bestaan en zelf kunnen bijdragen aan ons eigen geluk. Ten tweede weten we volgens de Utopianen dankzij onze rede dat we een leven met zo min mogelijk angst en zoveel mogelijk vreugde moeten leven en dat we uit solidariteit anderen moeten helpen om datzelfde te bereiken. Dat laatste omdat niets meer passend voor een goed mens zou zijn dan het leed van zijn medemens te verzachten en het verdriet in diens leven om te buigen in plezier, of te wel geluk. Goed zijn voor anderen betekent ook goed zijn voor jezelf. Het vergaren van plezier wordt overigens belemmerd door de beperking dat het plezier van anderen niet mag worden vergald. Dit zou je kunnen zien als een ruwe variant van het 19e eeuwse schadebeginsel van John Stuart Mill.

 

Maar wat zijn geluk en genot dan volgens de Utopianen? Onder genot verstaan zij elke beweging en toestand van het lichaam die genoegen schenkt en niet tegen de menselijke natuur indruist. Daarnaast kennen ze het begrip misplaatst genot, hetgeen er in essentie op neerkomt dat mensen er genot aan beleven door zich beter dan anderen te voelen. Bijvoorbeeld door het dragen van waardevolle kleren en juwelen. Gokken en jagen worden ook als misplaatst genot gezien. Indien mensen dit soort zaken toch als genot beschouwen dan komt dit voort uit een verkeerde kijk op de wereld. Het échte geluk bestaat volgens de staat Utopia allereerst uit geestelijk geluk: het gevoel dat je de waarheid kent, inzicht, de herinnering aan een goed geleid leven en het vooruitzicht op het goede leven na de dood. Lichamelijk genot bestaat uit twee vormen: 1) korte zintuigelijke prikkelingen zoals eten, drinken, seks, of het hersteld zijn van een ziekte. 2) een kalme, harmonieuze toestand van het lichaam en een goede fysieke gezondheid. Al het andere geluk is op dit fundament gebaseerd. Geestelijk geluk wordt overigens belangrijker gevonden dan lichamelijk geluk, daar dit goeddeels voortkomt uit het maken van de juiste keuzes en het hebben van een zuiver geweten.

 

Wetgeving in Utopia

Utopia lijkt in veel opzichten op een autocratische heilstaat, waarin de staat bepaalt hoe burgers moeten leven en waarin zij wel en niet geloven. Het is dan ook niet voor niets dat Utopia ten tijde van de hoogtijdagen van het communisme door enkele communistische regimes als een modelsamenleving werd gepropageerd. Burgers leefden er immers als collectief, de gezamenlijke boerderijen leken erg op Sovchozen en de overheid wist precies wat geluk was. Het merkwaardige is echter dat Utopia gelijktijdig op enkele punten zeer vooruitstrevende wetgeving kent. Dit betreft ten eerste de euthanasiewetgeving. Indien iemand ongeneeslijk ziek is en ondraaglijk leidt dan wordt hij bezocht door een delegatie van priesters en gezagsdragers om hem voor te houden of hij zijn eigen dood wellicht niet heeft overleefd, Hij moet vervolgens voor zichzelf uitmaken of hij nog langer zijn ziekte wil dragen, of liever wil sterven en een einde laten maken aan zijn kwelling. Indien zijn antwoord op deze vraag bevestigend is dan kan hij uit zijn lijden worden verlost. Zo wordt een helse doodsstrijd voorkomen en wordt een productief leven op waardige wijze beëindigd. Omdat de mens hierin wordt geadviseerd door priesters zou hij zo bovendien Gods Wil volgen. De euthanasie kan plaatsvinden door te stoppen met eten en drinken, of het treffen van voorzieningen waardoor hij rustig in zijn slaap overlijdt. Mensen die niet kiezen voor euthanasie blijven liefdevol worden verzorgd. Wat mij hierin tegenstaat is dat er vertegenwoordigers van de overheid bij een zieke langskomen om over het levenseinde te spreken. Maar er is wel euthanasiewetgeving en More dacht daar in 1513 al serieus over na, terwijl dit onderwerp anno 2015 nog steeds controversieel is.

 

Een tweede interessant voorbeeld van de verrassende moderniteit in het denken van More is de huwelijksprocedure in Utopia. More maakt hier de vergelijking met de aanschaf van een paard. Niemand zou een paard kopen zonder het dier volledig naakt zonder zadel te hebben gezien. Waarom moet dat wel bij een huwelijk? Een huwelijk is immers een levenslang partnerschap waar je je hele leven plezier van moet hebben en geen spijt moet krijgen van de keuze van je partner. Aangezien de Utopianen van mening zijn dat niet iedereen wijs genoeg is om alleen oog te hebben voor de persoonlijkheid van de levenspartner, maar het oog ook wat wil worden aspirant-echtgenoten alvorens definitief te besluiten om met elkaar te gaan trouwen in het bijzijn van oudere eerbiedwaardige burgers naakt aan elkaar getoond.

Mijn Utopia

Utopia is derhalve voor die tijd in een aantal opzichten uiterst progressief, maar toch bekruipt mij iedere keer dat ik het boek lees een unheimisch gevoel. Zeker, aan de basale levensbehoeften is voldaan en voor Jan Modaal is het leven er daardoor veel beter dan in de werkelijke vroeg 16e eeuwse maatschappij. En ja, op bepaalde onderdelen is de wetgeving bijzonder modern. Maar toch … de staat bemoeit zich met bijna alles. De staat bepaalt hoe mensen moeten leven, de staat bepaalt wat een goed leven is en de staat weet zelfs wat geluk en genot zijn. Sterker nog: de staat schrijft dan weliswaar niet voor hoe God eruitziet, maar heeft daar wel zeer sterke opvattingen over. Het is dan ook niet voor niets dat ik Utopia in mijn inleiding een gruwelijk mooi boek noemde. Mooi vanwege de briljante gedachte-exercitie van More. Gruwelijk vanwege de allesoverheersende rol van de staat en de vrijwel geheel gelijkgeschakelde maatschappij en daaruit voortvloeiend de vrijwel totale onderdrukking van het individu. Of eigenlijk is het nog erger: je zou kunnen zeggen dat het bestaan van het individu ontkend wordt. Die allesoverheersende staat en gelijkgeschakelde maatschappij maakt dat ik voor geen goud in Utopia zou willen leven.

 

Dat roept de vraag op in welke wereld ik wel wil leven. Anders gezegd: hoe ziet mijn Utopia er uit? Het antwoord op die vraag is onlosmakelijk verbonden met de vraag waarom ik Vrijmetselaar ben. Mijn Utopia is een wereld van vrije mensen, die zelf op zoek gaan naar hun eigen waarheid, zonder die waarheid aan anderen op te willen leggen. Iedereen krijgt de kans om waar mogelijk zijn eigen levenspad te kiezen. Die vrije mensen die hun eigen levenspad kiezen blijven beschikken over het vermogen om vragen te blijven stellen en niets als vanzelfsprekend aan te nemen. Dat geldt eens te meer voor ethische onderwerpen. Mensen moeten daar, zolang het anderen niet direct in negatieve zin raakt, zo autonoom mogelijk in kunnen beslissen en het kan niet zo zijn dat aan de individuele vrijheid beperkingen worden opgelegd vanwege de religieuze opvattingen van anderen. De staat is er in mijn Utopia vrijwel uitsluitend om de vrijheden van individuen te waarborgen. Het waarborgen van negatieve vrijheden: het zo min mogelijk door anderen gehinderd worden om je leven te leven zoals je dat zelf wil. Maar ook het waarborgen van positieve vrijheden, hetgeen ik zo uitleg dat de staat tot taak heeft om burgers in staat te stellen om als autonome mensen te kunnen leven. Als je dit verder invult dan dient de staat er in mijn Utopia vooral toe om een basaal levensniveau voor iedere staatsburger te garanderen en ervoor te zorgen dat iedere staatsburger zich zoveel mogelijk naar eigen inzicht kan ontwikkelen. Voor het overige past de staat een uiterst terughoudende rol. Ik ben daarom voorstander van een grondwettelijk recht op zelfdoding en totale liberalisering van drank en drugs. Verder spreekt het in mijn Utopia voor zich dat de staat zich op geen enkele manier met de onderlinge verhouding tussen vrije mensen bemoeit, laat staan zelfverkozen relaties tussen staatsburgers legaliseert. Mijn Utopia kent daarom geen burgerlijk huwelijk.

 

Dat alles geldt in het bijzonder voor het bereiken van geluk. Ik gruw dan ook van de in Utopia gebruikte term “moreel aanvaardbaar genot”. Want wat is dat “moreel aanvaardbaar genot”? En belangrijker: wie bepaalt dat? In mijn Utopia bepaal je dat zelf, zolang je daarmee het geluk van anderen niet onevenredig schaadt. Helaas gaat het daar in onze maatschappij vaak mis, in het bijzonder bij onderwerpen van spirituele aard, of iets als een Godsbeeld is men al snel geneigd om op basis van het eigen geloof regels aan anderen op te leggen. Ik kan dat werkelijk maar niet begrijpen, ik heb daar juist heel veel vragen over en heb niet de pretentie om op al die vragen een antwoord te vinden, laat staan het op dit moment al te hebben. Ik wil hier echter wel over nadenken. Nadenken in de zin van lezen en “studeren”, maar ook nadenken in de betekenis van reflectie op mijzelf en mijn taak in deze wereld en dat brengt mij bij de tweede helft van de titel van dit bouwstuk: waarom ik Vrijmetselaar ben geworden. Dat komt voor een belangrijk deel namelijk doordat ik gaandeweg ontdekte dat ik dit in mijn dagelijks leven maar ten dele kon doen. Natuurlijk, ik las boeken en zeker er waren goede gesprekken met vrienden. Op de een of andere manier kwam met name dat laatste er echter veel te weinig van. Bovendien wilde ik graag op meer gestructureerde wijze over filosofische en spirituele zaken nadenken, om zo nieuwe inzichten over mijzelf, maar ook over de maatschappij en “alles tussen hemel en aarde” te verkrijgen. Gelet op mijn betoog van zojuist spreekt het voor zich dat het daarbij een absolute randvoorwaarde is dat niet van bovenaf wordt opgelegd hoe ik over bepaalde zaken moet denken. Ik zocht daarom een genootschap waar ik in alle openheid over dit soort levensvragen kan spreken. Maar waar vind je dat? Zoals dat tegenwoordig gaat ga je dan op internet op zoek en zo begon ik over de Vrijmetselarij te lezen. Dat was uiteraard niet voor het eerst dat ik over de Vrijmetselarij hoorde. Ik weet niet meer precies wanneer dat wel het geval was, waarschijnlijk ergens op de middelbare school.

 

De eerste bewuste herinnering aan een kennismaking met de Vrijmetselarij is de volgende anekdote, die ik ooit in een boek over de Amerikaanse Burgeroorlog heb gelezen. Gedurende deze oorlog werd een officier van the Union, het noorden, krijgsgevangen genomen door the Confederacy, het zuiden. Deze man was Vrijmetselaar en zou korte tijd later in zijn Loge in New York tot Meester-Vrijmetselaar worden verheven. Doordat hij krijgsgevangene was genomen kon hij echter niet bij die gelegenheid aanwezig zijn en dus zou zijn verheffing moeten worden uitgesteld. Ware het echter niet dat zijn New Yorkse Loge op de een of andere manier in contact kwam met een Loge in Georgia waar hij gevangen zat en dat leidde ertoe dat hij op een avond vanuit het krijgsgevangenkamp werd meegenomen naar een lokaal Logegebouw, waar hij in een Loge die merendeels bestond uit officieren van de Confederacy, zijn vijanden dus, tot Meester werd verheven. Later op die avond is hij met hulp van onbekenden uit zijn gevangenschap ontsnapt. Ten minste hij heeft nooit willen zeggen wie hem hebben geholpen, maar ik heb wel een idee. Deze anekdote schoot mij in de loop der jaren tijdens mijn zoektocht steeds te binnen. Een zoektocht die mij uiteindelijk aan de tempelpoort deed aankloppen.

Waarom deed ik dat bij L’Union Frédéric? Ik twijfelde tussen enkele Loges, deels op basis van wat ik had gelezen en deels vanwege praktische argumenten. Uiteindelijk twijfelde ik nog tussen twee Loges en gaf de naam van de Loge de doorslag. Een Loge die vernoemd is naar prins Frederik, de man die zijn ijdele broer koning Willem II bij de les en zijn labiele neef Willem III in het gareel hield moet wel iets goeds hebben en daarom meldde ik me als eerste bij L’Union Frédéric. Mijn besluit om Vrijmetselaar te willen worden stond toen eigenlijk al vast, alleen als er tijdens de procedure vreemde dingen zouden zijn gebeurd zou ik ermee gestopt zijn. Dat was echter niet zo, integendeel! Het ging allemaal heel snel, een week later vond reeds mijn eerste gesprek met de voorlichter van de Loge plaats. Uiteraard was ik van te voren enigszins gespannen: ik betrad immers voor het eerst van mijn leven een Logegebouw, hoe zou dat zijn? Wat voor man zou ik aantreffen? Waar zou het gesprek over gaan? Dat bleek echter nergens voor nodig te zijn. De voorlichter bleek een ontzettend aardige man te zijn, met wie ik meteen een mooi gesprek gevoerd heb. Tevens werd mij die avond de tempel getoond en ik was meteen onder de indruk van de sfeer die daar hangt. Na die avond heb ik nooit meer overwogen om nog bij een andere Loge te gaan kijken. Het volgende gesprek met mijn voorstellend meesters, het huisbezoek van de voorzittend meester en het gesprek met de commissie van onderzoek bevestigden mijn keuze voor L’Union Frédéric verder.

 

Dit alles resulteerde in mijn inwijding. Natuurlijk was ik toen gespannen, maar ik had mij voorgenomen om alles over mij heen te laten komen. Dat laatste is nog niet zo eenvoudig voor me, want ik ben in veel opzichten een control freak die niet van verrassingen houdt. Eigenlijk is het dan ook een wonder dat ik me heb laten inwijden. Ik ben echter blij dat ik dat los heb gelaten want het was een prachtige ervaring. Een ervaring die ik wat beter kon duiden bij de inwijding van nieuwe kandidaten.

 

Na de inwijding volgde de echte kennismakingsperiode. De kennismaking met de Open Loges en de ritualen, de comparities en natuurlijk met alle broeders. In eerste instantie heb ik mij terughoudend opgesteld en de kat uit de boom gekeken. Dat is een karaktertrek, maar ik vind ook dat dit zo hoort, daar ik het in zekere zin een gebrek aan respect vind om als nieuweling met een grote mond een club binnen te komen, waarvan je eigenlijk nog niets weet. Dat neemt echter niet weg dat ik mij eigenlijk vanaf het allereerste moment thuis heb gevoeld in de Loge. De sfeer die er tijdens de Open Loges en de comparities hangt, maar ook de sfeer tussen de broeders onderling spraken mij meteen aan. Ik heb er dan ook nog geen seconde spijt van gehad dat ik mij heb laten inwijden. Eigenlijk heb ik van elke bijeenkomst wel iets geleerd, of dat nou Open loges, comparities of instructies waren.

 

Ik denk echter dat ik uiteindelijk het meest geleerd heb van de persoonlijke gesprekken met broeders. Op de een of andere manier bereiken gesprekken met broeders snel een bepaalde sfeer van vertrouwelijkheid, waardoor je over zeer persoonlijke zaken kunt spreken. Iets dat in het profane leven meestal pas na jaren van contact lukt, als het überhaupt al gebeurt. Ik heb in onze Loge dan ook absoluut aangetroffen wat ik er hoopte te vinden en de wekelijke Logeavond is dan ook al heel snel een vast onderdeel van mijn leven geworden.