15 nov

Prins Frederik der Nederlanden

Onze Loge L’Union Frédéric is vernoemd naar prins Frederik der Nederlanden (1797-1881). Tegenwoordig zullen nog maar weinig mensen weten wie deze prins was, in zijn tijd was hij echter een zeer gerespecteerd en geliefd lid van het Huis van Oranje. Vanaf het moment dat zijn vader koning Willem I tot soeverein vorst van Nederland werd uitgeroepen in 1813, tot zijn overlijden in 1881 speelde hij een belangrijke rol als adviseur van de koningen Willem I (zijn vader), Willem II (zijn broer) en Willem III (zijn neef). Daarnaast was hij maatschappelijk zeer actief. Zo was de prins onder meer gedurende 65 jaar Grootmeester van de Orde van Vrijmetselaren onder het Grootoosten der Nederlanden.

Prins Frederik werd in 1797 geboren te Berlijn, als zoon van erfprins Willem Frederik (de later koning Willem I) en prinses Wilhelmina. De reden dat hij niet in Nederland, maar in Berlijn ter wereld kwam was dat zijn familie onder leiding van zijn grootvader stadhouder Willem V twee jaar eerder door d Franse inval het land had moeten ontvluchten. Op dat moment leek de kans dat de Oranjes ooit weer als stadhouderlijke familie zouden kunnen terugkeren naar Nederland bijzonder klein. Prins Frederik groeide daarom voornamelijk op in Pruisen en andere Duitse vorstendommen en kreeg een bijbehorende (deels militaire) Pruisische opvoeding. Pas nadat na de mislukte veldtocht van Napoleon naar Rusland het tij in de Europese machtsverhoudingen begon te keren kwam er weer enig zicht op een terugkeer naar het reeds lang verloren vaderland. In 1813 werd Willem Frederik uitgeroepen tot Soeverein Vorst der Nederlanden, nadat hij op 30 november van dat jaar geland was op de kust van Scheveningen. Plein 1813 in het Willemspark en het in 1869 door prins Frederik onthulde onafhankelijkheidsmonument op het midden van dit plein herinneren aan deze gebeurtenis.

Prins Frederik zette in december 1813 voor het eerst voet op Nederlandse bodem en ging korte tijd later studeren aan de Leidse Universiteit. Vanaf 1815, toen Willem I inmiddels koning van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden was geworden, ging de prins publieke functies uitoefenen: in 1815 werd hij lid van de Raad van State, in 1816 Grootmeester van de Orde van Vrijmetselaren en in 1817 Grootmeester der Artillerie. De reden dat prins Frederik Grootmeester van de Vrijmetselaars werd was politiek van aard: er bestond enige angst dat de Vrijmetselaars de politiek van samensmelting van de noordelijke en zuidelijke Nederlanden zouden willen blokkeren. Dit gold met name voor de zuidelijke Loges waar zich de nodige tegenstanders van het Verenigd Koninkrijk en Bonapartisten bevonden en die bovendien nog altijd waren verbonden met het Franse Grootoosten. Vorstelijk toezicht werd daarom noodzakelijk geacht. Voor de Vrijmetselarij had dit het voordeel dat zij een directe band met het koningshuis kreeg. Met dit doel voor ogen werd in 1816 een hofloge genaamd L’Union Frédérique, die in veel opzichten als voorloper van het in 1914 opgerichte L’Union Frédéric kan worden gezien, opgericht. Prins Frederik werd in de zomer van 1816 ingewijd in de Berlijnse Grootloge ‘Zu den drei Weltkugeln’. Ofschoon zijn toetreden tot de Vrijmetselarij een politieke achtergrond had vatte de prins zijn taak als Grootmeester serieus op. Frederik voelde zich al snel thuis in de broederschap en begon zich spoedigl te bemoeien met allerlei organisatorische aspecten van de Vrijmetselarij. Een belangrijke maçonnieke nalatenschap van de prins betreft de tot op de dag van vandaag bestaande Afdelingen van de Meestergraad, die een alternatief voor de hogere graden moest vormen. Een tweede belangrijke erfenis van de prins betreft zijn gift van het Ordegebouw aan de Fluwelen Burgwal. In 1847 schonk hij dit gebouw aan de Orde en tot begin jaren negentig van de 20e eeuw zijn het hoofdbestuur en de Haagse Loges hier gehuisvest geweest. Voorwaarde voor deze gift was dat de drie bestaande Haagse Loges L’Union Royale, Eendragt maakt Magt en L’Union Fréderique zouden fuseren tot één Loge. Voor prins Frederik persoonlijk was de Vrijmetselarij in veel opzichten een leerschool: naast de “gebruikelijke” maçonnieke vorming leerde hij een weerbarstige organisatie, met zeer uiteenlopende personen en visies te besturen. Bovenal kwam hij door de Vrijmetselarij in contact met tal van mensen (gewone burgers) die hij anders nooit zou hebben ontmoet.

In 1825 trad prins Frederik in het huwelijk met de Pruisische prinses Louise, die tevens zijn nicht was (in deze tijd kwamen met name in koninklijke en adellijke families huwelijken tussen neven en nichten veelvuldig voor, de reden daarvoor was dat dit als een voortreffelijke manier om politieke allianties te sluiten en te bekrachtigen werd gezien). Uit dit huwelijk werden twee dochters en twee zonen geboren. De oudste dochter Louise trouwde met koning Karel XV van Zweden en Noorwegen en werd zo koningin van deze landen. De huidige koningen van België en Noorwegen en de koningin van Denemarken stammen in directe lijn van haar en daarmee van prins Frederik af. De twee zonen van de prins overleden beiden in hun kindertijd. Het gezin van de prins woonde in de winter in een stadspaleis aan het Korte Voorhout, dat stond op de plaats waar nu het ministerie van Financiën staat en in 1945 bij het bombardement op het Bezuidenhout werd verwoest. In de zomer woonden zij in Huize de Pauw, het tegenwoordige gemeentehuis van Wassenaar. Daarnaast bezat de prins aanzienlijke stukken land in en rondom Den Haag en bezat hij landerijen in het tegenwoordige Duitsland en Polen. Anders dan zijn broer koning Willem II beheerde hij zijn kapitaal bekwaam en hij stierf in 1881 dan ook als een zeer vermogend man.

Het publieke leven van prins Frederik bestond vanaf 1815 tot aan zijn dood vooral uit het ondersteunen van de opeenvolgende koningen Willem I (1815-1840), Willem II (1840-1849) en Willem III (1849-1890). De precieze invulling van zijn werkzaamheden verschilde al naargelang de tijdgeest en het karakter van de koning. Gedurende het koningschap van zijn vader was de prins vooral militair actief. Hij werd commissaris-generaal van het ministerie van Oorlog en richtte in die hoedanigheid de nog steeds bestaande Koninklijke Militaire Academie op. In 1830 werd hij met een leger naar Brussel gestuurd om de Belgische opstand de kop in te drukken en in 1831 stond hij samen met de prins van Oranje aan het hoofd van het Nederlandse leger tijdens de Tiendaagse Veldtocht. In deze periode werd hem ook enkele keren de troon van het recentelijk onafhankelijk geworden Griekenland aangeboden. De prins weigerde deze troon echter omdat hij geen koning wilde worden van een land waarvan hij de cultuur niet kende. Daarnaast zal het gegeven dat hij zich meer thuis voelde in een rol op de achtergrond hebben meegespeeld. Gedurende het koningschap van zijn broer speelde prins Frederik vooral een rol achter de schermen. Zijn officiële functies had hij neergelegd, maar hij trad op als bemiddelaar bij talloze conflicten tussen Willem II en de afgetreden Willem I en vooral tussen Willem II en de prins van Oranje, de latere Willem III. Het is niet duidelijk welke rol Frederik heeft gespeeld bij de Grondwetsherziening van 1848, het ligt echter in de rede dat hij ook hier weer de rol van bemiddelaar op zich heeft genomen. Na het overlijden van Willem II in 1849 werd zijn rol als verzoener nog groter. Verzoener tussen Willem III en diverse ministers en bovenal waar mogelijk verzoener in het dramatische huwelijk van Willem III en zijn eerste vrouw Sophie. Daarnaast trad de prins namens de Koning op bij vele officiële gelegenheden. Naarmate de tijd verstreek en het Huis van Oranje als gevolg van het overlijden van de broers , de echtgenote en twee zonen van Willem III gereduceerd werd tot enkele personen werd de prins voor de bevolking een steeds prominenter en geliefder gezicht van de koninklijke familie. Dit had hij naast zijn lange leven te danken aan zijn beschaafde en aimabele persoonlijkheid, die in veel opzichten positief afstak bij die van de meeste andere negentiende-eeuwse Oranjes. Het is al met al dan ook de vraag of het Huis van Oranje zonder Prins Frederik als regerend vorstengeslacht de 19e eeuw zou hebben overleefd.